Mokums woordenboek ziet het licht

Wat is een hangjas, een koefnoentje of een knobbelsmeris? Taalvorsers Hans Heestermans en Ditte Simons  ontleden  in hun 'Mokums woordenboek' de Amsterdamse taal. Door de jaren heen zijn  al heel wat studies gewijd aan dat met Jiddisch, Bargoens (dieventaal) en Franse woorden - uit de periode van gevluchte hugenoten - doorspekte stadstaaltje. Veel van die woorden behoren inmiddels zelfs tot het Algemeen Beschaafd Nederlands: tof, jofel, smoes, gabber.


De auteurs, jaren werkzaam als redacteuren van het 'Woordenboek der Nederlandsche Taal' - Heestermans was zelfs lange tijd hoofdredacteur van de 'Grote Van Dale' - hebben een persoonlijke greep gedaan uit het brede scala aan woorden. Het is een fijn naslagwerk voor de liefhebber, vol bijna vergeten woorden als fluitjepoep (dood) tot begrippen uit de rosse buurt als dikvreter (souteneur), hip (prostituee) en piepjanknor (de geslachtsdaad). Niet zelden gebaseerd op het werk van schrijvers als Querido en eerder verschenen werken als het 'Bargoens woordenboek' en 'Koosjer Nederlands'.

Ook modernere begrippen ontbreken niet. Zo is een bakfietstrut iemand 'met van dat háár en zo'n jas en van die laarzen (...) Met een blonde labrador in die bak, die waarschijnlijk Nelson heette. Of Wammes. Of Dexter', aldus columnist Sylvia Witteman.

 

HL | 05/11/2014 11:18